Vrijgestelde kleine ondernemingen en landbouwondernemingen mogen hun btw-nummer niet meer opgeven aan hun aannemer

Auteur(s): 

Christine Van Geel

Kleine ondernemingen die vrijgesteld zijn van btw (jaaromzet < 25.000 euro) (art. 56bis, Btw-wetboek) en landbouwondernemingen (art. 57, Btw-wetboek) mogen niet langer hun btw-identificatienummer opgeven bij de afname van dienstprestaties van een aannemer van werken in onroerende staat die gevestigd is in België.

Indien de afnemer toch zijn btw-identificatienummer vermeldt, zal de aannemer ten onrechte kunnen veronderstellen dat zijn afnemer een btw-belastingplichtige is die periodieke btw-aangiften indient.

Daardoor zal de aannemer ervan uitgaan dat zijn afnemer volgens artikel 20 van het Btw-KB nr. 1 de verlegging van heffing mag toepassen en zal hij dus geen btw aanrekenen. In dit geval blijft de aannemer als dienstverrichter in principe schuldenaar van de btw (art. 50, § 1, 1°, Btw-wetboek).

De wet van 30 juli 2018 bepaalt nu dat de dienstverrichter, behoudens samenspanning tussen de partijen, ontlast is van de aansprakelijkheid om de btw te voldoen indien de betrokken afnemer toch zijn btw-identificatienummer zou hebben meegedeeld (nieuw lid tweede lid, § 1, art. 53quater, Btw-wetboek, ingevoegd door art. 7, wet van 30 juli 2018).

De navordering van het verschuldigde btw-bedrag zal dan overeenkomstig artikel 51bis, § 1, 1° en 3° van het Btw-wetboek worden uitgevoerd bij de afnemer die in gebreke is gebleven van zijn wettelijke onthoudingsplicht (niet-meedelen van het btw-identificatienummer) na te komen.

In werking: deze maatregel treedt in werking op 1 oktober 2018.

Bron: Wet van 30 juli 2018 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde, BS 10 augustus 2018;err. BS 28 augustus 2018 (art. 7 en art. 18).